1.5. LUCHTVAARTREGELS

1.5. RULES OF THE AIR (ICAO Annex 2)

  • 1.5.1 De totstandkoming van een wet in Nederland en in de EU
  • 1.5.2 SERA (Standardised European Rules of the Air)
  • Samenvatting luchtvaartregels

In ICAO Annex 5 staan de internationaal overeengekomen regels voor het luchtverkeer. Die regels bestaan uit algemene regels, zichtvliegregels en instrumentvliegregels. Deze ICAO-regels gelden boven de internationale zeeën en in het luchtruim boven de nationale staten voor zover die regels niet in conflict komen met die van die landen. De gezagvoerder is verantwoordelijk voor naleving van de luchtvaartregels. Elk land heeft zijn eigen luchtvaartregels gebaseerd op de ICAO-regelgeving. Sinds de komst van EASA, maakt EASA Verordeningen, dat zijn de luchtvaartregels die voor de EU-lidstaten gelden.

1.5.1 DE TOTSTANDKOMING VAN EEN WET IN NEDERLAND EN IN DE EU

Nederland is een parlementaire democratie. Alle wetten komen via het gekozen parlement tot stand. Elk land is baas over zijn eigen grondgebied en zijn eigen luchtruim. Zo kan elk land voor zijn luchtruim zijn eigen wetten maken, maar aangezien vliegtuigen steeds van het ene luchtruim in het andere komen is het voor een veilige en ordelijke ontwikkeling van het luchtverkeer verstandiger om zoveel mogelijk dezelfde regels voor het luchtruim samen met andere landen af te spreken. 

De luchtvaartwetgeving voor Nederland wordt voor het grootste deel bepaald door internationale verdragen. Zo leidde het verdrag van Chicago (1944) tot de oprichting van ICAO en het verdrag van Maastricht (1993) tot de huidige Europese Unie. De EU heeft voor de regelgeving van het luchtruim in Europa EASA opgericht. 

Bij de EU komen wetten tot stand door goedkeuring van het Europese parlement en de Raad van de Europese Unie (de 28 vakministers van de EU-landen). Zie: http://www.europarl.europa.eu/external/html/legislativeprocedure/default_nl.htm

EASA-richtlijnen en verordeningen

De EU-voorschriften kunnen richtlijnen of verordeningen zijn. Europese Richtlijnen moeten door lidstaten in de eigen nationale wetgeving worden ingevoerd. Verordeningen zijn overal in de EU direct van toepassing. Dit geldt ook voor de luchtvaart waar de Basisverordening (Basic Regulation) de Nederlandse Wet Luchtvaart grotendeels vervangt. 

1.5.2 SERA (STANDARDISED EUROPEAN RULES OF THE AIR)

De Europese luchtregels opgesteld door de EU staan bekend onder de naam SERA (Standardised European Rules of the Air).  De Standardised European Rules of the Air zijn gebaseerd op ICAO aanbevelingen en dan vooral op Annex 2 (Rules of the Air).  Zweefvliegers moeten op de hoogte zijn van die regels die van belang zijn voor een veilige vlucht. 

LETTERLIJKE TEKST SERA (Standardised European Rules of the Air)

Je vindt de Standardised European Rules of the Air op de website van EASA. Een Nederlandse versie vind je hier... 

Een aantal punten die van belang zijn voor het zweefvliegen staan hieronder:

DE EUROPESE COMMISSIE.....HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

SERA Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

  1. Het doel van deze verordening is de gemeenschappelijke regels en operationele bepalingen voor luchtvaartnavigatiediensten en -procedures vast te stellen, welke van toepassing zijn op algemeen luchtverkeer binnen het toepassingsgebied van Verordening (EG) nr. 551/2004.
  2. Deze verordening is met name van toepassing op luchtruimgebruikers en luchtvaartuigen die actief zijn als algemeen luchtverkeer:
    a) naar, binnen of uit de Unie;
    b) met de nationaliteit en registratiekentekens van een lidstaat van de Unie, welke actief zijn in om het even welk luchtruim, voor zover ze niet in strijd zijn met de regels die zijn gepubliceerd door het land dat rechtsbevoegdheid heeft over het grondgebied waarboven wordt gevlogen.
  3. Deze verordening is ook van toepassing op de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, de verleners van luchtvaartnavigatiediensten en het relevante grondpersoneel dat bij de luchtvaartactiviteiten is betrokken.

 Artikel 2

1.5.3 DEFINITIES

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

  • 'kunstvlucht' : een vlucht, waarbij met opzet bewegingen worden uitgevoerd, welke een plotselinge verandering in de stand, een abnormale stand of een abnormale verandering in de snelheid van het luchtvaartuig medebrengen, die niet vereist zijn voor normale vluchten of voor opleidingen ter verkrijging van bewijzen van bevoegdheid of voor andere bevoegdverklaringen dan die voor kunstvluchten;
  • 'luchtvaartterrein' : een afgebakend gebied (met de zich daarop bevindende gebouwen, installaties en apparatuur) op het land of het water of op een vaste, vaste off-shore of drijvende structuur die geheel of gedeeltelijk bedoeld is voor aankomst, vertrek en grondbewegingen van luchtvaartuigen;
  • 'plaatselijke luchtverkeersleiding' : luchtverkeersleidingsdienst voor het luchtvaartterreinverkeer;
  • 'plaatselijke luchtverkeersleidingdienst' : een eenheid belast met het verlenen van luchtverkeersleidingsdiensten aan luchtvaartterreinverkeer;
  • 'luchtvaartterreinverkeer' : alle verkeer op het landingsterrein van een luchtvaartterrein en alle luchtvaartuigen die in de nabijheid van een luchtvaartterrein vliegen. Met 'luchtvaartuigen die in de nabijheid van een luchtvaartterrein vliegen' worden, zij het niet uitsluitend, luchtvaartuigen bedoeld die een luchtverkeerscircuit binnenvliegen of verlaten;
  • 'luchtverkeerscircuit' : het specifieke vliegpad dat moet worden gevolgd door een luchtvaartuig dat actief is in de nabijheid van een luchtvaartterrein;
  • 'luchtvaartgids (Aeronautical Information Publication, AIP)' : een publicatie die door of onder de autoriteit van een staat is uitgegeven en luchtvaartinformatie met een blijvend karakter bevat die essentieel is voor de luchtvaart;
  • 'mobiele luchtvaartdienst' : een mobiele dienst tussen luchtvaartstations en luchtvaartuigstations, of tussen luchtvaartuigstations, waaraan stations voor reddingsvaartuigen kunnen deelnemen; radionoodbakenstations met positie-informatie kunnen eveneens aan deze dienst deelnemen op aangewezen spoed- en noodfrequenties;
  • 'luchtvaartstation' : een landstation van de mobiele luchtvaartdienst. In bepaalde gevallen kan een luchtvaartstation zich bijvoorbeeld aan boord van een schip of een platform op zee bevinden;
  • 'vliegtuig' : een gemotoriseerd luchtvaartuig dat zwaarder is dan lucht en dat zijn lift voornamelijk ontleent aan aerodynamische reactiekrachten op zijn vleugels onder de gegeven vluchtomstandigheden;
  • 'luchtvaartuig' : een toestel dat in de dampkring kan worden gehouden door krachten die de lucht daarop uitoefent, anders dan de krachten van de lucht tegen het aardoppervlak;
  • 'AIRMET-informatie' : informatie uitgegeven door een luchtvaartmeteorologisch observatiecentrum betreffende het optreden of verwachte optreden van specifieke meteorologische verschijnselen langs de vliegroute die van invloed kunnen zijn op een veilige vluchtuitvoering op lage hoogte, en die nog niet was uitgegeven in de weersverwachting voor vluchten op lage hoogte in het betrokken vluchtinformatiegebied of een deel daarvan;
  • 'luchtgrondcommunicatie' : tweezijdige communicatie tussen luchtvaartuigen en stations of locaties op het aardoppervlak;
  • 'luchtverkeer' : alle luchtvaartuigen in de lucht of op het landingsterrein van een luchtvaartterrein;
  • 'luchtverkeersleidingsklaring' : de aan een luchtvaartuig verleende toestemming om een vlucht voort te zetten overeenkomstig de door een luchtverkeersleidingseenheid vastgestelde voorwaarden;
  • 'luchtverkeersleidingsdienst' : een dienst die wordt verleend teneinde:

    a) botsingen te voorkomen:
    1 .tussen luchtvaartuigen, en
    2. tussen luchtvaartuigen en hindernissen op het landingsterrein van het luchtvaartterrein; en
    b) een geordende luchtverkeersstroom tot stand te brengen en te handhaven;

  • 'hoogte (altitude)' de verticale afstand tussen een niveau, punt of object dat als punt wordt beschouwd, gemeten vanaf het gemiddeld zeeniveau;
  • 'wolkenbasis' de hoogte gemeten vanaf de grond of het water tot de onderzijde van de laagste wolkenlaag onder 6.000 m (20.000 ft) die meer dan de helft van de lucht bedekt;
  • 'SSR-code' het nummer dat is toegekend aan een specifiek antwoordsignaal bestaande uit meerdere pulsen dat door een transponder in Mode A of Mode C wordt uitgezonden;
  • 'luchtverkeersleidingsgebied' gecontroleerd luchtruim dat zich verticaal uitstrekt vanaf een gespecificeerde grens boven het aardoppervlak;
  • gecontroleerd luchtvaartterrein' een luchtvaartterrein waarop luchtverkeersleidingsdiensten worden verleend aan het luchtvaartterreinverkeer, ongeacht of er al dan niet een 'controlezone' bestaat;
  • 'gecontroleerd luchtruim' luchtruim met vastgestelde afmetingen waarbinnen luchtverkeersleidingsdiensten worden verleend overeenkomstig de luchtruimclassificatie;
  • 'plaatselijk luchtverkeersleidingsgebied (CTR)' gecontroleerd luchtruim dat zich vanaf het aardoppervlak verticaal uitstrekt tot aan een vastgestelde bovengrens;
  • 'danger area' een deel van het luchtruim met bepaalde afmetingen waarin op vastgestelde tijdstippen activiteiten kunnen plaatsvinden die gevaarlijk zijn voor de vlucht van luchtvaartuigen;
  • 'vluchtinformatiegebied' een deel van het luchtruim met vastgestelde afmetingen waarbinnen vluchtinformatiediensten en alarmeringsdiensten worden verleend;
  • 'vluchtinformatiedienst' een dienst die adviezen en informatie verstrekt die nuttig zijn voor de veilige en doeltreffende uitvoering van vluchten;
  • 'vliegzicht' het zicht in voorwaartse richting vanuit de cockpit van een luchtvaartuig tijdens de vlucht;
  • 'grondzicht' het zicht op een luchtvaartterrein, zoals meegedeeld door een geaccrediteerde waarnemer of door automatische systemen;
  • 'koers' de richting waarin de lengteas van het luchtvaartuig wijst, meestal uitgedrukt in graden ten opzichte van het noorden (ware, magnetische, kompas of grid);
  • 'hoogte (height)' de verticale afstand tussen een niveau, punt of object dat als punt wordt beschouwd, gemeten vanaf een specifiek referentievlak;
  • 'IFR' de afkorting van 'instrument flight rules' (instrumentvliegvoorschriften);
  • 'IFR-vlucht' een vlucht die wordt uitgevoerd overeenkomstig de instrumentvliegvoorschriften;
  • 'IMC' de afkorting van 'instrument meteorological conditions' (instrumentweersomstandigheden);
  • 'nacht' de uren tussen het einde van de burgerlijke avondschemering en het begin van de burgerlijke ochtendschemering. De burgerlijke schemering eindigt 's avonds wanneer het centrum van de zonneschijf zes graden onder de horizon staat en begint 's morgens wanneer het centrum van de zonneschijf zes graden onder de horizon staat;
  • 'gezagvoerder' de piloot die door de exploitant of, in het geval van de general aviation, de eigenaar, is aangewezen als degene die het gezag voert en belast is met de veilige vluchtuitvoering;
  • 'Radio Mandatory Zone (RMZ)' een deel van het luchtruim met vastgestelde afmetingen waarin het meenemen en gebruiken van radioapparatuur verplicht is;
  • 'radiotelefonie' een vorm van radiocommunicatie die voornamelijk bedoeld is voor de mondelinge uitwisseling van informatie;
  • 'gebied met beperkingen (restricted area)' een deel van het luchtruim met bepaalde afmetingen, boven het grondgebied of de territoriale wateren van een staat, waarin vluchten van luchtvaartuigen zijn beperkt overeenkomstig bepaalde voorwaarden;
  • 'zweeftoestel' een luchtvaartuig dat zwaarder is dan lucht en dat vliegt door de dynamische reactie van de lucht tegen de vaste liftoppervlakken, en waarvan de vrije vlucht niet afhankelijk is van een motor, zoals zeilvliegtuigen, schermvliegtuig en vergelijkbare toestellen;
  • 'secundaire surveillanceradar (SSR)' een surveillanceradarsysteem dat gebruik maakt van zenders/ontvangers (interrogators) en transponders;
  • 'seinenvierkant' een plaats op een luchtvaartterrein die wordt gebruikt voor het weergeven van grondsignalen;
  • Transponder Mandatory Zone, (TMZ)' een luchtruimdeel van vastgestelde afmetingen waarin het meenemen en gebruiken van drukhoogterapporterende transponders verplicht is gesteld;
  • 'Vliegplan' aan eenheden voor luchtverkeersdiensten verstrekte specifieke informatie over een voorgenomen vlucht of deel van een vlucht van een luchtvaartuig;
  • VFR' de afkorting van 'visual flight rules' (zichtvliegvoorschriften);
  • VFR-vlucht' een vlucht die wordt uitgevoerd overeenkomstig de zichtvliegvoorschriften;
  • VMC' de afkorting van 'visual meteorological conditions' (zichtweersomstandigheden).meteorologische omstandigheden, uitgedrukt in termen van zicht, afstand tot wolken en wolkenbasis, die gelijk zijn aan of beter zijn dan de voorgeschreven minima;

LUCHTVERKEERSREGELS

SERA.2005 NALEVING VAN DE LUCHTVERKEERSREGELS

De bediening van een luchtvaartuig, tijdens de vlucht, op het bewegingsgebied van een luchtvaartterrein of op een operatielocatie, geschiedt in overeenstemming met de algemene regels, de toepasselijke lokale bepalingen en, tijdens de vlucht:

a) de zichtvliegvoorschriften, of
b) de instrumentvliegvoorschriften.

SERA.2010 VERANTWOORDELIJKHEDEN

  1. Verantwoordelijkheden van de gezagvoerder
    De gezagvoerder van een luchtvaartuig, ongeacht het feit of hij al dan niet het luchtvaartuig bestuurt, is verantwoordelijk voor de bediening van het luchtvaartuig overeenkomstig deze verordening; hij mag van deze verordening afwijken indien dit absoluut noodzakelijk is in het belang van de veiligheid.
  2. Acties voorafgaand aan de vlucht
    Alvorens een vlucht aan te vangen, zorgt de gezagvoerder van een luchtvaartuig ervoor dat hij vertrouwd is met alle beschikbare informatie die relevant is voor de geplande activiteit. Voor vluchten buiten de nabijheid van een luchtvaartterrein en voor alle IFR-vluchten moeten vóór de vlucht zorgvuldig de beschikbare actuele weersverslagen en verwachtingen worden bestudeerd, waarbij rekening dient te worden gehouden met de benodigde brandstof en een alternatief vluchtverloop, indien de vlucht niet kan worden uitgevoerd zoals gepland.

SERA.2015 BEVOEGDHEID VAN DE GEZAGVOERDER VAN EEN LUCHTVAARTUIG

De gezagvoerder van een luchtvaartuig heeft de eindbevoegdheid over het luchtvaartuig

SERA.3101 ONACHTZAAM OF ROEKELOOS GEBRUIK VAN LUCHTVAARTUIGEN

Een luchtvaartuig mag niet op onachtzame of roekeloze wijze worden bediend teneinde het leven of de eigendom van anderen in gevaar te brengen.

SERA.3105 MINIMUM HOOGTEN

Behalve wanneer dit nodig is voor opstijgen of landen of wanneer de bevoegde autoriteit anderszins toestemming heeft verleend, mogen luchtvaartuigen niet over dichtbevolkte gebieden van steden, gemeenten of nederzettingen, noch vliegen over een openluchtbijeenkomst van personen, tenzij op een hoogte die het mogelijk maakt om in noodgevallen te landen zonder overmatig gevaar voor personen of eigendommen op de grond. Zie verder: 1.6.3 

SERA.3135 FORMATIEVLUCHTEN

Luchtvaartuigen mogen niet in formatie vliegen, tenzij dit vooraf is overeengekomen tussen de gezagvoerders van de luchtvaartuigen die deelnemen aan de vlucht en, voor formatievluchten in gecontroleerde delen van het luchtruim, overeenkomstig de voorwaarden die door de bevoegde autoriteit zijn voorgeschreven. Het betreft onder andere de volgende voorwaarden:

  1. een van de gezagvoerders wordt aangewezen als vluchtleider;
  2. wat navigatie en positiemelding betreft, wordt de formatie als één luchtvaartuig beschouwd;
  3. de separatie van de luchtvaartuigen tijdens de vlucht is de verantwoordelijkheid van de vluchtleider en de gezagvoerders van de andere luchtvaartuigen in de vlucht.

SERA.3145 VERBODEN GEBIEDEN EN GEBIEDEN MET BEPERKINGEN

Luchtvaartuigen mogen niet vliegen in een verboden gebied of een gebied met beperkingen waarvan de bijzondere kenmerken op passende wijze zijn bekendgemaakt, tenzij overeenkomstig de voorwaarden van de beperkingen of met de toestemming van de lidstaat boven wiens grondgebied de gebieden zijn ingesteld.

SERA.3205 NABIJHEID

Met een luchtvaartuig mag niet dusdanig nabij andere luchtvaartuigen worden geopereerd dat botsingsgevaar ontstaat.

SERA.3210 VOORRANGSREGELS

  1. Het luchtvaartuig dat voorrang heeft behoudt zijn koers en snelheid.
  2. Een luchtvaartuig dat zich ervan bewust is dat de manoeuvreerbaarheid van een ander luchtvaartuig is verminderd, verleent dat luchtvaartuig voorrang.
  3. Een luchtvaartuig dat krachtens de onderstaande regels verplicht is om uit de buurt van een ander luchtvaartuig te blijven, vermijdt bovenlangs, onderlangs of vóórlangs het andere luchtvaartuig te passeren, tenzij het voldoende afstand houdt en rekening houdt met het effect van de zogturbulentie 

1) Recht vooruit naderen. Wanneer twee luchtvaartuigen elkaar recht vooruit of bijna recht vooruit naderen en er botsingsgevaar is, wijzigt elk luchtvaartuig zijn koers naar rechts.

2) Kruisen. Als twee luchtvaartuig kruisen op ongeveer hetzelfde niveau, verleent het luchtvaartuig dat het andere aan zijn rechterzijde heeft voorrang, behalve in de volgende omstandigheden:

i) gemotoriseerde luchtvaartuigen die zwaarder zijn dan lucht verlenen voorrang aan luchtschepen, zweeftoestellen en ballonnen;
ii) luchtschepen verlenen voorrang aan zweeftoestellen en ballonnen;
iii) zweeftoestellen verlenen voorrang aan ballonnen;
iv) gemotoriseerde luchtvaartuigen verlenen voorrang aan luchtvaartuigen waarvan wordt gezien dat zij een ander luchtvaartuig of voorwerpen slepen.

3) Inhalen. Een inhalend luchtvaartuig is een luchtvaartuig dat een ander van achter nadert op een lijn die een hoek van minder dan 70 graden vormt met het symmetrisch vlak van het laatste luchtvaartuig, d.w.z. dat zich in een zodanige positie bevindt ten opzichte van het ander luchtvaartuig dat het ’s nachts de linker- (bakboord) of rechter(stuurboord) navigatielichten van het luchtvaartuig niet kan zien. Een luchtvaartuig dat wordt ingehaald, heeft voorrang en het inhalende luchtvaartuig, ongeacht of het klimt, daalt of horizontaal vliegt, blijft uit de buurt van het andere luchtvaartuig door zijn koers naar rechts aan te passen, en geen enkele daaropvolgende wijziging in de onderlinge posities van de twee luchtvaartuigen ontheft het inhalende luchtvaartuig van deze verplichting totdat het volledig voorbij en vrij is.
i) Inhalend zweeftoestel. Een zweeftoestel dat een ander zweeftoestel inhaalt, mag zijn koers aanpassen naar rechts of naar links.

4) Landen. Een luchtvaartuig in de lucht, op de grond of op het water verleent voorrang aan landende luchtvaartuigen of luchtvaartuigen die zich in de laatste naderingsfasen voor de landing bevinden.

i) Wanneer twee of meer luchtvaartuigen die zwaarder zijn dan lucht een luchtvaartterrein of operatielocatie naderen met het oog op een landing, verleent een zich hoger bevindend luchtvaartuig voorrang aan een zich lager bevindend luchtvaartuig, maar dit laatste mag geen voordeel halen uit deze regel om voor een ander luchtvaartuig in te voegen dat zich in de laatste naderingsfase voor de landing bevindt, of in te halen. Desalniettemin moeten gemotoriseerde luchtvaartuigen die zwaarder zijn dan lucht voorrang verlenen aan zweeftoestellen.
ii) Noodlanding. Een luchtvaartuig dat zich ervan bewust is dat een ander luchtvaartuig genoodzaakt is te landen, verleent voorrang aan dat luchtvaartuig.

5) Opstijgen. Een luchtvaartuig dat taxiet op het landingsterrein van een luchtvaartterrein verleent voorrang aan luchtvaartuigen die opstijgen of op het punt staan op te stijgen.

4. SERA TIJD
SERA.3401 Algemeen

  1. Er wordt gebruikgemaakt van gecoördineerde universele tijd (UTC), uitgedrukt in uren, minuten
    en, voor zover nodig, seconden van het etmaal dat middernacht begint. 

SERA.4001 Indiening van een vliegplan (zie 1.8.3) 

DEEL 6 LUCHTRUIMCLASSIFICATIE; SERA.6001 LUCHTRUIMCLASSIFICATIE (zie 1.7.1)

SERA.6005 EISEN INZAKE COMMUNICATIE EN SSR-TRANSPONDERS (zie 1.7.2)

DEEL 8 LUCHTVERKEERSLEIDINGSDIENSTEN (zie 1.8.1)

 

SAMENVATTING 

Door de komst van EASA worden nationale wetten vervangen door Europese Verordeningen. In SERA (Standarised European Rules of the Air) staan de luchtvaartregels voor de EASA-landen. daarin staat o.a.:

  • Voor de vlucht in een tweezitter wordt bepaald wie de gezagvoerder is.
  • De gezagvoerder is verantwoordelijk voor de vlucht. Hij zorgt ervoor dat hij op de hoogte is van de nodige informatie voor de vlucht zoals het weer en eventuele NOTAM's en dat de vlucht wordt uitgevoerd volgens de geldende wetten.
  • Een gezagvoerder mag alleen van de voorschriften afwijken als dat absoluut noodzakelijk is voor de veiligheid.
  • Het is verboden een vliegtuig te besturen wanneer men onder invloed is van: alcohol, drugs, medicijnen die van invloed zijn op de vliegvaardigheid. 
  • Een vliegtuig mag niet het leven of de eigendommen van anderen in gevaar brengen.
  • Formatievliegen mag alleen als voor de vlucht tussen de gezagvoerders een regeling is getroffen en bij de start of de landing mag niet in formatie gevlogen worden.
  • VFR-vliegen gaat uit van "See and Avoid". Je behoort altijd zoveel afstand van andere vliegtuigen te houden dat botsingsgevaar voorkomen wordt.

UITWIJKREGELS 

  • Je moet altijd voorrang geven aan een luchtvaarttuig waarvan je weet dat het in nood verkeert.
  • Het luchtvaartuig dat voorrang heeft behoudt zijn koers en snelheid.
 
  • Een ballon hoeft niet uit te wijken (kan niet uitwijken).
 
  • Een zweefvliegtuig wijkt uit voor een ballon. 
 
  •  Een sleep wijkt uit voor een zweefvliegtuig en voor een ballon.
 
  • Een luchtschip wijkt uit voor: een sleep, een zweefvliegtuig en een ballon.
  • Een motorkist wijkt uit voor: een luchtschip, een sleep, een zweefvliegtuig en een ballon.

 

  • In de luchtvaart gaat bij de landing het laagst vliegende vliegtuig voor. Je mag geen voordeel halen uit deze regel door voor een ander luchtvaartuig, dat zich in de laatste naderingsfase voor de landing bevindt, in te voegen of in te halen.
  • Een luchtvaartuig dat ziet dat een ander luchtvaartuig genoodzaakt is te landen, verleent voorrang.
 
 
  • Wanneer twee (zweef)vliegtuigen recht op elkaar af vliegen, verleggen beide hun koers naar rechts.
 
 
  • Voor een zweefvliegtuig dat van rechts komt, wordt naar rechts uitgeweken.
 
 
  • Het inhalen van een ander zweefvliegtuig gebeurt door er met ruime afstand links of rechts omheen te gaan. Nooit er overheen of er onderdoor duiken! Het vliegtuig dat ingehaald wordt heeft altijd voorrang.

Opmerking:

  • Voorrang moet je verlenen, maar houd er rekening mee dat je niet altijd voorrang krijgt.
  • Als je voorrang hebt, maar het vliegtuig dat voorrang moet geven heeft jou niet gezien dan is het de verantwoordelijkheid van het vliegtuig dat normaal voorrang had, om al het nodige te doen om een botsing te vermijden. 
  • Zweefvliegers hebben onderling afgesproken dat bij thermieken alle zweefvliegtuigen dezelfde richting draaien.
  • De draairichting wordt bepaald door het zweefvliegtuig dat het eerst in de thermiek
    aankwam.
  • Je moet op zo'n manier invoegen dat de andere zweefvliegers daar geen hinder van ondervinden.
  • Tijdens het vliegen in de thermiek moet je zo'n positie kiezen dat de andere zweefvliegers jou zo goed mogelijk kunnen zien. 
  • Niet binnendoor draaien.
  • Bij bergvliegen geldt dat een zweefvlieger die de helling aan de rechterkant heeft voorrang krijgt van tegemoetkomend verkeer.