4.1 VFR-COMMUNICATIE

  

Bij het zweefvliegen gaat spraakcommunicatie via de radio en datacommunicatie via de transponder en de flarm. 

Geluidsgolven

Geluid plant zich door de lucht voort in de vorm van geluidsgolven. De snelheid waarmee dit gebeurt is ongeveer 330 m/s.

Een geluidsgolf heeft een golflengte en een amplitude.

Hoe meer golven per tijdseenheid hoe hoger het geluid klinkt en hoe groter de amplitude hoe luider het geluid klinkt.Het aantal golven per seconde noemen we de frequentie en dit drukken we uit in Hertz (Hz). Hieronder zie dat het aantal golven per seconde toeneemt. De frequentie stijgt naar 5 trillingen per seconde.

Mensen kunnen  trillingen die liggen tussen 20 en 20.000 Hz waarnemen.Hogere frequenties (dus kortere golven) tot 800 MHz noemen we ultrasone en nog hogere frequenties worden hypersone trillingen genoemd.

Radiogolven

Radiogolven worden ook wel radiofrequente straling genoemd. Het zijn golven in de vorm van elektromagnetische straling die zich voortplanten met de snelheid van het licht 300.000.000 m/s. De ontdekker van de radiogolven is Heinrich Hertz. Bij radiogolven is ook sprake van golflengte, amplitude en frequentie. Het frequentiegebied loopt van enkele honderden Hertz tot enkele giga Hertz (GHz).

  1. 1 Hz is 1 trilling per seconde
  2. 1 kHz   (kilo is duizend) is 1.000 trillingen per seconde.
  3. 1 MHz (mega is 1 miljoen) is 1.000.000 trillingen per seconde
  4. 1 GHz (giga is 1 miljard) is 1.000.000.000 trillingen per seconde.  

De VHF-band

Onze zweefvliegkanalen: 122.480;  122.505; 123.355; 123.380; 123.505; 129.980 en 130.130 liggen in de VHF-band. Voor de luchtvaart worden de frequenties tussen 108 MHz en 136.975 MHz gebruikt. De VHF-frequentieband wordt als volgt verdeeld

  1. 108 - 112 VOR & ILS
  2. 112 - 118 VOR
  3. 118 - 136.975 RT-communicatie.

Hieronder zie je de overige frequentiebanden.

Band Frequentie  Golflengte      gebruik luchtvaart

VLF

Very Low Frequency

3-30 kHz 100.000 - 10.000 m lange afstandsnavigatie

LF

Low Frequency

30-300 kHz 10.000-1000 m NDB (non-directional beacon)

MF

Medium Frequency

300 kHz  - 3 MHz 1.000-100 m NDB

HF

High Frequency

3 MHz - 30 MHz 100-10 m Voor RT over lange afstand

VHF

Very High Frequency

30-300 MHz 10-1 m

Navigatiebakens

RT-communicatie 118 - 136.975 MHz

UHF

Ultra High Frequency

300 MHz -3 GHz 1 m- 10 cm

Navigatiebakens

Transponders 1090 MHz

GPS

SHF

Super High Frequency

3 GHz - 30 GHz 10 cm - 1 cm Radar

EHF

Extrem High Frequency

30 GHZ - 300 GHz 1 cm - 1 mm Radar

 

Kanaalseparatie 

Tot aan 2018 hadden de zweefvliegradio's een kanaalseparatie van 25 kHz. Na 122.475 MHz kwam 122.500 MHz en dan 122.525 MHz. Aangezien er een tekort aan frequenties is, moeten vanaf 31 december 2017 alle radio's vervangen worden door radio's met een kanaalseparatie  van 8.33 kHz. De frequentie van de Friese Aero Club was 123.35 en dit is nu geworden kanaal 123.355. Bij 8.33 kHz-separatie is het woord frequentie vervangen door kanaal. 

Bereik radiosignaal

Wanneer een zweefvlieger tijdens een overland laag zit, of ver weg is, kun je hem niet ontvangen. Het bereik van de radiozendinstallatie is niet oneindig. De reikwijdte van het radiosignaal is afhankelijk van de sterkte van de radio en de afstand tot de ontvanger. De voortplanting van radiogolven verloopt via drie wegen. We spreken daarom ook wel van: 

  1. oppervlakte golven of grondgolven Lage frequenties volgen een gebogen lijn langs het aardoppervlak. Deze oppervlaktegolven (ook wel grondgolven genoemd) reiken verder dan de horizon.
  2. ruimtegolven  VHF-golven planten zich voort in een vrijwel rechte lijn van de zender naar de ontvanger. Zender en ontvanger bevinden zich eigenlijk op "zichtafstand" van elkaar. Aangezien deze golven iets door de atmosfeer worden gebogen, kan het signaal iets verder dan de horizon reiken.
  3. ionosfeergolven  Deze golven kaatsen dan tegen de ionosfeer en worden dan teruggekaatst naar de aarde. 

Zweefvliegradio's maken gebruik van VHF-golven. Tussen zender en ontvanger moet sprake zijn van een rechte lijn. De reikwijdte bereken je ruwweg als volgt: bereik in kilometers =4 x de wortel uit de vlieghoogte in meters. Voorbeeld:

  1. Bij een vlieghoogte van 900 m is het bereik 4 x 30 = 120 km.
  2. Het bereik van twee zweefvliegtuigen die elkaar oproepen en elk op zo'n 900 m hoogte zitten is het dubbele hiervan, dus 2 x 120 =240 km.

De bovenstaande berekening is niet erg nauwkeurig, in werkelijkheid hebben factoren als de atmosfeer, hoogte van de ontvangende antenne, bergen of water een grote invloed op de reikwijdte van het signaal.

Belangrijke frequenties

  1. 121.500 MHz de VHF noodfrequentie
  2. 124.300  Amsterdam Information
  3. 132.355  MHz Dutch Mil Info 

Dutch Mil en Amsterdam Information zijn vluchtinlichtingendiensten (Flight Information Centres) Ze geven inlichtingen over o.a. het verkeer op jouw traject, de regionale QNH, militair verkeer, enz… Je kunt er een fix opvragen als je de weg kwijt bent.

 Transponder

Het woord transponder komt van de woorden: transmitter (zender) en responder (antwoorder). Na de invoering van de transponderplicht, in het grootste gedeelte van het Nederlandse luchtruim, zijn de meeste zweefvliegtuigen uitgerust met een zogenaamde Mode S transponder.

Bijna het hele Nederlandse luchtruim is eenTMZ, een Transponder Mandatory Zone. Alleen onder de 1200 ft hoef je geen transponder te hebben en in het weekend als er geen militair verkeer is, mag je in een gedeelte van het Nederlandse luchtruim zonder transponder vliegen. Zweefvliegtuigen die wel een transponder hebben moeten die altijd tijdens het vliegen aan hebben. Zweefvliegtuigen met maar één accu kunnen buiten een TMZ de transponder uitzetten (zie SERA 13001)

SERA.13001 Bediening van een SSR-transponder
a) Als het luchtvaartuig een bruikbare SSR-transponder aan boord heeft, moet de piloot de transponder tijdens de volledige vlucht gebruiken, ongeacht of het luchtvaartuig zich binnen of buiten het luchtruim bevindt waarin SSR wordt gebruikt voor ATS-doeleinden.

b) Piloten mogen de IDENT-functie niet gebruiken, tenzij de luchtverkeersdiensten daarom vragen.

c) Behalve voor vluchten in het luchtruim waarin het gebruik van een transponder verplicht is gesteld door de bevoegde autoriteiten, zijn luchtvaartuigen zonder voldoende elektrisch vermogen vrijgesteld van de eis om de transponder tijdens de volledige vlucht te gebruiken.

Waar je wanneer een transponder moet gebruiken zie je op het kaartje hieronder en op:http://www.ais-netherlands.nl/aim/2013-09-05-AIRAC/eAIP/html/graphics/eAIP/EH-ENR-6-2-6.pdf

Een transponder zendt (transmit) en antwoordt (respond). Hij zendt periodiek een signaal  uit en  antwoordt wanneer hij door een radar of een TCAS (traffic alert and avoidance system van een verkeersvliegtuig) wordt ondervraagd.  Als antwoord stuurt hij een signaal terug dat informatie bevat over bijvoorbeeld de transpondercode en de hoogte van het vliegtuig. Dat signaal wordt door de radar of TCAS opgevangen en verwerkt. Een TCAS ondervraagt de transponders in de buurt en hij meet de afstand d.m.v het tijdsverschil  en de richting van waaruit een antwoord komt door een richtingsgevoelige antenne.
 Welke informatie er door de transponder wordt doorgegeven hangt af van het type transponder.

Typen transponders
We kennen de volgende typen transponders:

  1. Mode A:  Bij mode A wordt de vier-cijferige code uit gezonden.
  2. Mode C:  Bij mode C wordt de vlieghoogte (uitgedrukt in Flight Level, dus gebaseerd op 1013.2 hPa) uitgezonden.
  3. Mode A/C: Bij mode A/C wordt de 4-cijferige code plus de vlieghoogte uitgezonden.
  4. Mode S:  Bij mode S zendt de transponder een unieke 24-bits identificatiecode uit. Deze identificatiecode bevat o.a. het registratiekenmerk van het vliegtuig (bijvoorbeeld: PH-731). Een mode S-transponder werkt tevens als een mode A/C transponder en zendt dus ook de vier-cijferige code en de vlieghoogte uit. 

Aan elk vliegtuig wordt door de nationale luchtvaartautoriteit een unieke 24-bits ICAO-identificatie toegekend. In Europees luchtruim mogen alleen  mode S-transponders gebruikt worden.

Wanneer een mode S-transponder wordt verbonden met een GPS-ontvanger dan kan hij de GPS-gegevens van het vliegtuig mee uitzenden. We spreken dan van een ADS-B signaal. ADS-B staat voor “Automatic Dependent Surveillance-Broadcast”.  Een mode S-transponder met  ADS-B informatie bestaat dus uit de transponder mode S- informatie en de GPS- informatie ( positie, hoogte en snelheid).

 

Met een ADS-B ontvanger kun je de ADS-B gegevens weergeven op een display in het vliegtuig of bijvoorbeeld op een kaart. Zie bijvoorbeeld: http://planefinder.net/

Voor de start zet je de transponder op standby. Dat is de opwarmstand. De transponder is daarna direct gereed voor gebruik. Wanneer je de transponder op ON zet dan wordt de hoogte niet doorgegeven. Dus geen mode C. Alleen op de stand ALT wordt hoogte, positie en de identificatiecode weergegeven. Wanneer de transponder per ongeluk op ON staat i.p.v. op ALT dan kan de verkeersleiding vragen om de transponder op ALT (mode C) te zetten. Zo'n verzoek over de radio luidt dan:

  PH-751  SQUAWK CHARLIE
SQUAWKING CHARLIE PH-751

 

Het is belangrijk om direct na de (lier)start je transponder op ALT aan te zetten zodat de luchtverkeersleiding en andere vliegtuigen je positie, hoogte en identificatiecode hebben. Je hoeft niet in contact te zijn met een verkeersleider om toch voordeel van je transponder te hebben. Zo waarschuwt de verkeersleiding groter (en sneller) verkeer jouw aanwezigheid op hun te vliegen route. Veel gemotoriseerde vliegtuigen zijn uitgerust met een ACAS (Airborne Collision and Avoidance System) of TCAS (Traffic Collision Avoidance System). ACAS en TCAS ontvangen transpondersignalen en geven waarschuwingen. Ze geven verkeersvliegtuigen en militaire vliegtuigen de opdracht om uit te ontwijken als er botsingsgevaar dreigt.

De transponder op de afbeelding staat ingesteld op code 7000 Bij vliegen in ongecontroleerd gebied blijft de transponder op deze code staan. In gecontroleerd luchtruim kan de verkeersleiding je vragen om een andere code te squawken. Er zijn een paar speciale codes:

Speciale transponder-codes

  1. 7000Voor vliegen in ongecontroleerd gebied
  2. 7500code om aan te geven dat er sprake is van een kaping
  3. 7600code om aan te geven dat er sprake is van uitval van de radioverbinding
  4. 7700code om aan te geven dat er sprake is van een noodgeval 

Een geheugen steuntje voor die codes:

  1. seven five, someone with a knife
  2. seven six, ik hoor niks
  3. seven seven, we're going to heaven

Op de transponder zit ook een IDT-knop (ident-knop). Het kan voorkomen dat de verkeersleiding je opdraagt om deze in te drukken: “Squawk ident!” Je drukt dan 1 keer op de IDT-knop en bij de verkeersleider zal jou positie oplichten op het scherm.

Lees voor het gebruik van je transponder altijd goed het handboek om verkeerd gebruik te voorkomen.

© Dirk en Roelof Corporaal laatste update 30-01-2019