4.10 CIRCUIT MET ZIJWIND

  • Opsturen tegen de wind in;
  • Op de juiste afstand van de lierbaan het rugwindbeen vliegen;
  • Vlieg, als dat kan, een benedenwinds circuit.
 
OPSTUREN
Heel vaak vlieg je het circuit met zijwind. Dit maakt het vliegen van het circuit moeilijker, omdat je dan op het rugwindbeen, basisbeen en aanvliegbeen op moet sturen. Wanneer je dit, bijvoorbeeld op het rugwindbeen, niet in de gaten hebt en nalaat om op te sturen, kom je door de zijwind te dicht bij de lierbaan, of word je door zijwind van de andere kant te ver van het veld weggezet. In beide gevallen vlieg je het circuit niet meer correct. Een juist gevlogen circuit is het begin van een goede landing. Dit opsturen doe je om de zijwind te compenseren en het hele rugwindbeen evenwijdig aan de lierbaan te blijven vliegen. Opsturen gebeurt altijd slipvrij. Het draadje moet recht staan.
 
Circuit met zijwind 
 
Je ziet hier zowel een linkerhand- als een rechterhand circuit met crosswind. Een rechterhand circuit houdt in dat alle bochten naar rechts zijn. Op het rugwindbeen wordt opgestuurd om evenwijdig aan de lierbaan te blijven vliegen en niet van het veld weggezet te worden. Op het basisbeen en op final wordt ook weer opgestuurd om netjes in het midden van het landingsveld te komen.
Een benedenwinds circuit heeft de voorkeur, want:
  1. Op het rugwindbeen heb je een beter zicht op het landingsveld, want je vliegt met de neus van het vliegtuig naar het veld;
  2. Op het basisbeen vlieg je met tegenwind en niet met rugwind  (hoge grondsnelheid) en heb je meer tijd om er voor te zorgen dat je met de juiste aanvlieghoogte aan je final te begint;
  3. Bij de laatste bocht naar final heeft de wind de neiging om je te helpen om goed op te lijnen naar het landingsveld in plaats van je voorbij het gewenste aanvliegbeen te blazen.