1. DE VOORTGEZETTE VLIEGOPLEIDING

Zweefvliegers gebruiken zonne-energie. De natuur geeft deze energie cadeau in de vorm van thermiekbellen. Soms zijn ze er en soms komen ze maar niet. Soms zijn ze matig en soms knalt het er uit. Je vliegtijd zit er bijna op en het zweefvliegtuig schijnt maar niet naar beneden te willen.
Er zijn evenveel soorten thermiekbellen als er verschillende mensen zijn. Van grillig, soms fel en eng, tot breed, rustig en betrouwbaar. Opstijgende luchtbellen variëren in vorm, doorsnee en hoogte. Van slechts enige tientallen meters in doorsnee tot soms een paar honderd meter breed. Van enige honderden meters in hoogte tot soms meer dan 2000 meter. Ze kunnen je letterlijk en figuurlijk naar de hemel voeren.

 
 
 
Stille kracht
Het vergt heel wat oefening om de bellen te vinden en het sterkste stijgen in de kern van de bel te pakken. De thermiekbellen vormen onze brandstof. Tanken betekent hoogte winnen en de hoogtemeter is een brandstofmeter die aangeeft hoe ver je nog kunt vliegen. Op thermische dagen staan er duizenden pompstations geheel gratis ter beschikking. Een zweefvlieger gebruikt slechts een fractie van de totale hoeveelheid energie die er bij een thermiekbel vrij komt. Één mooie bel levert meer vermogen dan een elektriciteitscentrale. Wie geproefd heeft van dit soort energie en de ervaring kent van mooi gecentreerd omhoog gaan met een hoogzingende vario, die wil maar één ding: dit opnieuw beleven. Het verveelt nooit en wie weet kan het nog mooier, nog hoger, nog sneller en nog verder. Thermiek is een stille kracht waar zweefvliegers uren mee kunnen vliegen en soms honderden kilometers mee kunnen afleggen.
 
 
Mooie thermische vluchten maken leer je door oefening in de praktijk en het bestuderen van de theorie. Wie veel oefent leert het zweefvliegtuig beter beheersen. Door kritisch naar je eigen fouten te kijken leer je er elke start weer iets bij. Hoe vaker je vliegt hoe hoger je vliegstandaard wordt. Bij geregeld vliegen en vooral bij langere vluchten zul je merken dat na een poosje heel veel dingen haast automatisch lijken te gaan.   
Je krijgt dan het moment dat je er bijna niet meer bewust bij na denkt en je voelt je steeds meer 'een' met het vliegtuig. 
Op elke beweging van het vliegtuig geef je met je voeten of je handen de juiste reactie. Terwijl je je aandacht vooral richt op andere vliegers en alvast kijkt waar je straks de volgende bel zult gaan zoeken, verleg je op gevoel het zweefvliegtuig naar het sterkste stijgen in de thermiekbel.
Naast praktische oefeningen heb je ook een stuk theoretische kennis nodig. Wie de theorie bestudeerd heeft, haalt veel meer uit z'n vluchten. Deze website probeert je daarbij te helpen. Het beschrijft de voortgezette vliegoefeningen alsmede de theorie die je nodig hebt om de praktijkoefeningen te begrijpen.
 

Tweezitter- en solo-opleiding
Veel solo-vliegende leerlingen zijn blij dat ze in de overgangstrainer, zonder instructeur, de lucht in mogen. Ze ervaren het als een teleurstelling als ze, door verslechterende weersomstandigheden of omdat een instructeur een vliegfout constateert, weer voor een checkstart met de tweezitter omhoog moeten. Dat is begrijpelijk, maar bedenk dat je de eerste solovluchten mocht maken doordat ze jou in staat achtten om het zweefvliegtuig onder goede weersomstandigheden veilig te besturen, maar dat je daarmee nog lang niet een volleerd zweefvlieger bent. Om je vliegvaardigheid te verbeteren en voor een goede voortzetting van je vliegopleiding zul je nog geregeld met een instructeur omhoog gaan, omdat je nooit te oud bent om van een ander z'n ervaring te leren.  

Starten met de voortgezette opleiding zweefvliegen

Leerlingen die geregeld komen vliegen hebben meestal na een 50-tal solostarts voldoende ervaring opgedaan om aan de voortgezette vliegopleiding te beginnen. De oefeningen hiervoor vind je in jouw progressiekaart. Je doet elke oefening eerst met een instructeur in de tweezitter en daarna solo. Een instructeur bekijkt vanaf de grond of je de oefening juist gedaan hebt, waarna hij deze aftekent.

Als alle oefeningen van de progressiekaart zijn afgetekend en je een solo-overland van 50 km of een overland van 100 km in de tweezitter met een instructeur gemaakt hebt en alle  onderdelen voor het theorie-examen gehaald hebt, dan kun je bij HoT (Head of training) toestemming aanvragen om het praktijkexamen te mogen afleggen. Wanneer de instructeurs vinden dat je vliegvaardigheid voldoende gevorderd is, geven zij je toestemming voor de examenvluchten. Bij dit examen zul je met 1 of 2 examinatoren een paar examenvluchten maken. Tijdens deze vluchten, waarbij de examinator in de tweezitter meevliegt, wordt bekeken of je in staat bent om die beheerst en veilig uit te voeren. Ze bevatten de volgende oefeningen: 

Sectie 1: Vluchtvoorbereiding en vertrek:

  1. Het uitvoeren van de dagelijkse inspectie.
  2. De verificatie van massa en zwaartepunt.
  3. Het controleren van de luchtwaardigheid van het vliegtuig aan de hand van de documenten - inclusief de onderhoudsstatus.
  4. Het uitvoeren van de cockpit-check.

Sectie 2: Startmethode:

Je doet praktijkexamen in tenminste één startmethode en daarbij worden al de volgende punten getoetst:

2A Lierstart:

  1. Signalen voor en tijdens de start, inclusief seinen aan de lierist.
  2. Een correct lierstartprofiel.
  3. Een gesimuleerde kabelbreuk.
  4. Situational awareness.

2B Sleepstart:

  1. Signalen voor en tijdens de start, inclusief seinen aan en communicatie met de sleepvlieger.
  2. Acceleratiefase en klimstand.
  3. Afbreken sleepstart (uitsluitend middels simulatie of mondelinge overhoring).
  4. Correctie positionering achter het sleepvliegtuig in rechtlijnige vlucht en bochten.
  5. Extreme posities en herstel.
  6. Correcte ontkoppelprocedure.
  7. Uitkijken en vliegermanschap gedurende de totale vlucht.

2C Zelfstart:

  1. Naleving luchtverkeersleiding (indien van toepassing).
  2. Vliegveld vertrekprocedures.
  3. Aanrollen en klimstand.
  4. Uitkijken en vliegermanschap gedurende de startfase.
  5. Een gesimuleerde motorstoring na het loskomen (uitsluitend middels simulatie of vmondelinge overhoring).
  6. Het uitzetten en inklappen van de motor.

Sectie 3: Algemeen:

  1. Het aanhouden van een rechtlijnige vlucht, neusstand, constante snelheid.
  2. Gecoördineerde bochten met 30° helling, uitkijkprocedure, vermijden botsingsgevaar.
  3. Koersbepaling visueel en aan de hand van het kompas.
  4. Vliegen met grote invalshoek en kritiek lage luchtsnelheid.
  5. Overtrek en herstel.
  6. Het voorkomen van vrille en herstel.
  7. Gecoördineerde bochten met 45° helling, uitkijkprocedure, vermijden botsingsgevaar.
  8. Lokale navigatie en awareness.

Sectie 4: Circuit, nadering en landing:

  1. Aansluiten op circuit.
  2. Het vermijden van botsingen, uitkijkprocedures.
  3. Checks voorbereiding landing.
  4. Circuit, nadering en landing.
  5. Doellanding (gesimuleerde buitenlanding).
  6. Een zijwindlanding, mits de omstandigheden zich voordoen.

Wanneer de examenvluchten als voldoende worden beoordeeld ben je geslaagd voor het SPL